De invloed van geluid op gedragsmatige en psychologische symptomen bij dementie

Om in kaart te brengen hoe personen met dementie reageren op geluid werd een etnografische studie uitgevoerd. Hiertoe werd gebruik gemaakt van het principe van de ‘participerende observatie’. Om zo weinig mogelijk de indruk te wekken dat er observaties gebeuren, neemt de onderzoeker gewoon deel aan de dagdagelijkse activiteiten in het WZC. Dit geeft aan de onderzoeker de kans om te observeren hoe de persoon met dementie reageert op prikkels uit de omgeving. Tijdens de observaties lag de nadruk enerzijds op alle aspecten die deel uit maken van de aanwezige soundscape (geluidsbronnen, geluidsniveau en sfeer), anderzijds op de reacties en het gedrag van de bewoners met dementie op de (geluids)omgeving. Deze participerende observatie ging door in elk van de vijf deelnemende WZC en duurde een volledige dag (24u); er werd telkens drie dagen gedurende acht uur geobserveerd. De onderzoeker nam (1) deel aan dagelijkse activiteiten zoals maaltijdbegeleiding (voornamelijk in de leefzaal), ochtendverzorging, nachtelijke verzorgingsronde of (2) bracht individuele bezoekjes aan de bewoners om met hen te praten of te helpen met kleine activiteiten zoals het lezen van de krant. Bijgevolg werd er zowel in de leefruimte als op de kamers van de bewoners geobserveerd.

In elk WZC werden drie bewoners geselecteerd in functie van de observatie. Allen hadden dementie en vertoonden een vorm van agitatie. Sommige bewoners maakten deel uit van een leefgroep, maar er werden ook bewoners geobserveerd die grotendeels op de kamer bleven. In totaal werden er 15 bewoners geobserveerd, 10 vrouwen en 5 mannen, met een gemiddelde leeftijd van 82 jaar. Ze verbleven gemiddeld reeds 3 jaar in het WZC. Uit afname van de NPI-Q bleek dat bij deze bewoners de meest voorkomende vorm van BPSD hyperactiviteit was, 13 van de 15 bewoners vertoonden recent agressief of prikkelbaar gedrag. Ook affectieve symptomen zoals angst en depressie kwamen vaak voor, bij 12 bewoners werd dit geobserveerd. Tot slot vertoonden ook 10 bewoners psychosen (hallucinatie en/of wanen).

Om de invloed van de omgeving op het ontstaan en verloop van gedragsproblemen in kaart te brengen werd er tijdens de observaties niet enkel gefocust op de geluidsomgeving maar werd er met een open blik geobserveerd. Los van de geluidsomgeving bleek uit de observaties onder andere fysiek ongemak, taalbegrip en betrokkenheid factoren te zijn die invloed hebben op gedragsproblemen. Daarnaast werden ook een aantal factoren met betrekking tot de geluidsomgeving geïdentificeerd: herkenbaarheid, veiligheid, de complexiteit van de geluidsomgeving, de positie van de bewoner ten opzichte van de geluidsbron en natuurlijk ook de geluidsprikkel op zich. Uit analyse van de nota's die gemaakt werden tijdens de observaties, bleek dat - m.b.t. het ontstaan en bestendigen van de BPSD - twee factoren nauw samenhangen, namelijk herkenbaarheid en veiligheid. Een herkenbaar geluid kan bijvoorbeeld een tikkende klok in huis zijn of het luiden van klokken van de kerktoren, maar dit kan ook een stem zijn (van iemand in de leefruimte, op TV of radio). Herkenbare geluiden bieden een vorm van veiligheid, nét omdat ze herkenbaar zijn. Voor personen met dementie is het immers belangrijk dat zij hun omgeving herkennen, dit zal leiden tot minder angst, agressie en andere gedragsproblemen die ontstaan omdat ze zich onveilig gaan voelen.
Geluidsomgevingen in de WZC kunnen ook complex zijn. Er waren geluidsomgevingen waar meerdere geluidsbronnen en –niveaus tegelijk aanwezig waren. Niet alle geluiden waren daarbij herkenbaar. Vaak ook was het niet mogelijk om de verschillende geluiden van elkaar te onderscheiden. Volgende voorbeelden illustreren dit. Een bewoner die op zijn kamer is en de televisie aanzet zit in een relatief ‘eenvoudige’ geluidsomgeving. Het is rustig op de kamer en enkel de televisie produceert geluid. Dezelfde bewoner kan echter ook in de leefruimte zijn en daar televisie kijken, terwijl andere bewoners praten met bezoekers, zorgverleners het avondeten voorbereiden en de technische dienst een rolstoel herstelt. In dit laatste voorbeeld is de geluidsomgeving complexer en is het mogelijk dat niet alle geluiden herkenbaar zijn (bv. deze afkomstig van de technische dienst). Deze complexere omgeving kan onrust veroorzaken bij personen met dementie. De positie van de bewoner ten opzichte van de geluidsprikkel hangt hier ook nauw mee samen. Wanneer een gezond persoon een geluid hoort dat hij of zij niet herkent dan zal die zich waarschijnlijk in de richting van de geluidsbron draaien om te zien ‘wat er aan de hand is’, wat hij of zij net hoorde. Aangezien bewoners in een WZC - en zeker zij die tot de doelgroep van het project horen - beperkt zijn in hun fysieke mogelijkheden, kunnen zij zich niet altijd richten tot de geluidsbron of hebben zij - ten gevolge van dementie - deze reflex niet langer. Indien de geluidsprikkel in dit geval ook visueel zichtbaar is (in het gezichtsveld van de persoon met dementie valt) kan dit ervoor zorgen dat bewoners met dementie beter de situatie kunnen opnemen en interpreteren, waardoor ze zich minder snel onveilig gaan voelen en ze een herkenbare situatie waarnemen, wat op zijn beurt weer leidt tot minder BPSD.

Onderstaand voorbeeld als illustratie bij deze factoren:
‘Maria gaat niet meer mee naar een optreden in de grote zaal. Telkens ze meegenomen wordt, vertoont ze roepgedrag, ook na de activiteit is ze vaak lang onrustig.’ Dergelijk optreden in de grote zaal biedt vermoedelijk weinig herkenbaarheid voor Maria. Bovendien bevindt ze zich op dit moment in een complexe geluidsomgeving waar meerdere geluidsbronnen op haar afkomen waaronder de zanger, muziek, andere aanwezigen die praten, het geluid van koffietassen enz. ‘Helemaal anders is het wanneer haar man hier is, als hij haar mee neemt naar de grote zaal vertoont zij geen roepgedrag.’ Hier is zeker de aanwezigheid en nabijheid van haar man een beïnvloedende factor, waar ook de herkenbaarheid van zijn stem bijdraagt tot het voorkomen van onrust bij Maria. Als ze samen op haar kamer zijn zal hij ook prikkels toevoegen aan de geluidsomgeving die een herkenbare sfeer creëren zoals het aanzetten van de TV, steeds op dezelfde zender, of door een CD op te zetten met muziek die Maria steeds graag gehoord heeft.

Dergelijke observaties gaven veel inzicht in de manier waarop personen met dementie reageren op de omgeving. Analyse van alle observaties leidde uiteindelijk tot twee belangrijke dimensies:

  1. De mogelijkheid van de persoon met dementie om geluiden juist te interpreteren;
  2. De mogelijkheid van de persoon met dementie om adequaat te reageren.

Wat betreft de eerste dimensie: de interpretatie van de geluidsomgeving kan bij personen met dementie anders verlopen omwille van onder andere cognitieve problemen, zoals het niet herkennen van bepaalde geluiden, maar ook gehoorsproblemen ten gevolge van normale veroudering kunnen in combinatie met cognitieve problemen ten gevolge van dementie leiden tot een andere interpretatie. Bepaalde geluiden in het WZC kunnen ook ‘nieuw’ zijn voor bewoners, bijvoorbeeld het gezoem van een alternatingmatras of het geluid van een elektrische medicatiepletter, waardoor ze deze geluiden niet herkennen en ze mogelijks toeschrijven aan een andere herkomst. Het niet kunnen herkennen van geluiden bezorgt de persoon met dementie een gevoel van onveiligheid. Hoe beter de persoon de omgeving juist kan interpreteren, hoe groter het gevoel van veiligheid deze persoon zal ervaren.

Daarnaast zal ook de mate waarin bewoners adequaat kunnen reageren op de geluidsomgeving het verloop van gedragsproblemen beïnvloeden. Zo startte een bewoner met roepen op het moment dat het middagmaal achter haar opgediend werd. Zij kon zich niet draaien om te kijken wat er gebeurde. Dezelfde dame zat tijdens het avondmaal aan dezelfde tafel maar nu met haar ogen gericht op de keuken. De geluidsomgeving werd nu ook visueel ondersteund. Tijdens het avondmaal vertoonde ze geen roepgedrag maar volgde ze wel alert wat er gebeurde in de keuken. Ook herkenbaar zijn bewoners die tijdens een groepsactiviteit opstaan en in de gang doolgedrag vertonen. Zo was er ook tijdens de observaties een man die de activiteit niet leek te begrijpen en in de gang zocht naar een rustige en stille plaats om even neer te zitten. Over de mogelijkheden beschikken om adequaat te reageren zal een comfortabel gevoel geven aan de bewoner.

Deze twee dimensies zijn complementair aan elkaar. Sommige bewoners kunnen geluiden juist interpreteren, maar kunnen niet meer fysiek reageren. Anderen kunnen dan de geluiden niet juist interpreteren maar hebben nog wel de mogelijkheid om fysiek te reageren. Afhankelijk van de mate van aan- of afwezigheid van één van deze twee dimensies wordt er door de persoon anders gereageerd op geluiden en voelt de persoon zich al dan niet veilig en/of comfortabel. Het koppelen van deze twee dimensies in een orthogonale matrix maakt duidelijk hoe deze dimensies zich tot elkaar verhouden en welke types van personen er bestaan (persona). In een vereenvoudigde voorstelling worden zo vier kwadranten gevormd. Deze kwadranten vormen vier persona’s die elk specifieke gedragsproblemen vertonen, afhankelijk van hun mogelijkheden om te interpreteren of reageren op de geluidsomgeving.

<< terug